Micro-nutriënten bestaan uit vitamines, mineralen en spoorelementen. Maar wat verschillen ze van elkaar? En hoe kunnen wij ze binnenkrijgen?

Vitamines worden aangemaakt door planten, dieren of door ons eigen lichaam. Mineralen zijn stoffen die oorspronkelijk uit de bodem komen. Ons lichaam kan zelf geen mineralen aanmaken. Planten nemen mineralen en vocht op uit de bodem en vormen dit om tot levende substantie. Een plant is het sterkst met de aarde verbonden, letterlijk met de wortels in de grond. 

Dieren (en wij mensen) krijgen mineralen binnen door het eten van planten (zoals: gras, kruiden, groente en fruit) of door het drinken van water. Spoorelementen zijn ook mineralen, alleen heeft ons lichaam er maar een ‘spoortje’ van nodig. Ze worden ook opgenomen uit de bodem, voeding of water. Wanneer we geen of te weinig mineralen/spoorelementen binnenkrijgen, worden vitamines ook niet of niet voldoende opgenomen. Ze zijn dus net zo onmisbaar voor het leven als vitamines.

Mineralen komen op onze planeet in grote hoeveelheden voor. Wij kunnen echter alleen mineralen opnemen, wanneer deze stoffen door planten uit de bodem zijn onttrokken en daarmee geschikt gemaakt zijn voor consumptie. De wortels van een plant koppelen via een aminozuur (eiwit-bouwsteentje) het mineraal vast en op deze manier komt het mineraal in de plant. Wanneer wij deze plant eten, krijgen we mineralen binnen. Dit proces noemen we ‘chelatie’. Ons lichaam herkent alleen maar mineralen wanneer het aan een aminozuur is gebonden. Een aminozuur is dus o.a. een vervoerder van mineralen. 

Wanneer je bijvoorbeeld een ijzergebrek hebt, ga je niet knagen aan een stuk ijzer. Dat zou zelfs giftig zijn, omdat het ijzer niet in ons lichaam vervoerd kan worden. Spinazie daarentegen heeft het ijzer uit de bodem opgenomen via de wortels en gebonden aan een aminozuur. 

Voor ons zijn vlees en zuivel een belangrijke bron van vitamines en mineralen. Je zou kunnen zeggen dat het dier de voedingsstoffen optimaal heeft voorbereid voor ons lichaamssysteem, waardoor we het makkelijk kunnen opnemen/absorberen. Het gehalte varieert per vleessoort. De absorptie bedraagt gemiddeld 20 tot 30% uit vlees en uit plantaardige voedingsmiddelen 5 tot 15%. 

Orgaanvlees zit helemaal boordevol met voedingsstoffen. In veel jager-verzamelaarsgemeenschappen werd orgaanvlees zelfs als ‘heilig’ gezien en werden organen zoals lever bewaard voor vrouwen die vruchtbaar of zwanger waren. Daarnaast hadden veel culturen het idee dat je de kracht van een orgaan kon verkrijgen door het te eten. Eenvoudig gezegd: in een orgaan zitten precies de voedingsstoffen die dat orgaan nodig heeft om goed te kunnen functioneren. De lever van een kip of rund hebben andere gehaltes, maar geen andere voedingsstoffen nodig dan die van een mens. Wanneer je zo’n orgaan eet, krijg je dus al die stoffen binnen die je eigen orgaan goed kan gebruiken. 

In de volgende nieuwsbrief gaan we verder in op de vitamines in gras gevoerd natuurvlees.  

Vergelijkbare berichten